De man en zijn boot

We gingen fietsen en streken neer langs het water waar we ongewild maar niet per se ongewenst bootjes konden kijken. 

Nadat er een stuk of vijftig waren gepasseerd - heen en weer, heen en weer - viel me iets op.

De mannen zitten altijd achter het stuur.

Je hè hè, vrouwen raken altijd de weg kwijt, zei mijn echtgenoot.

Ik bromde wat.

Het is toch heerlijk om als vrouw verwend te worden, zei hij.

Ik luisterde allang niet meer, maar zag het nog wel, man na man, aan het roer, met de boot als een vorm van zijn mannelijkheid voor hem en voorin zijn vrouw als een trofee.

Terug naar huis fietste mijn man voorop.

Zijn vrouw raakt altijd de weg kwijt.

Af en toe keek -ie achterom, of ik er nog was.

Ja ja, jij stuurt, riep ik.

Vlak bij huis ging ik rechtdoor waar hij linksaf sloeg.

Ik nam een ander weggetje - dat moest even.